Thuis in de Natuur

Bert van Geel © 2010

Juli, 2010

Jac.P. Thijsse

Jac.P. Thijsse (1865-1945) was onderwijzer, bioloog en natuurbeschermer. Thijsse, was onder andere de grondlegger van de in 1905 opgerichte Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten, was ook actief in de vogelbescherming en lid van de Natuur Historische Vereniging. Grote bekendheid kreeg hij vooral door zijn bijdrage aan Verkade albums.

Verkade (Koekfabrikant) wilde plaatjesalbums uitgeven om de klanten nauwer aan de firma te binden en dacht daarbij aan de natuur als onderwerp. De aandacht van Verkade viel op Thijsse vanwege  zijn  wekelijkse stukjes over de natuur in het Algemeen Handelsblad. Verkade vroeg of hij natuurteksten wilde schrijven. Thijsse voelde er aanvankelijk niet voor om mee te werken aan reclame voor koek maar zei tenslotte toch ja, mits de naam van Verkade onopvallend vermeld werd.

Er verscheen een lange reeks albums van zijn hand. De losse plaatjes werden bij de beschuit en koek verpakt en konden worden geruild. De omzet van Verkade verdubbelde. De door Verkade in Zaandam uitgebrachte albums waren: Lente (1906), Zomer (1907), Herfst (1908), Winter (1909), Blonde duinen (1910), De bonte wei (1911), Het Naardermeer (1912), Bosch en heide (1913), Langs de Zuiderzee (1914), De Vecht (1915), De IJsel (1916), Friesland (1918), De bloemen in onzen tuin (1926), Texel (1927), Paddenstoelen (1928), De bloemen en haar vrienden (1934), Waar wij wonen (1937) en Onze groote rivieren (1938). Vogelzang kon door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet meer verschijnen en zou pas in 1965 het licht zien.

Thijsse heeft mijn hart gestolen, vooral door zijn manier van schrijven over de natuur. Ik had de man graag eens horen praten, hij bleek vooral een aanstekelijk enthousiasme te hebben en een grote dosis beminnelijkheid waarmee hij mensen wist te boeien. Hij liet anderen meegenieten van hetgeen hij zo mooi vond in de natuur en hoopte daarmee ook dat het begrip voor de natuur zou toenemen en dat men zou gaan helpen de natuur te beschermen. Ik herken mijzelf zo in deze man vooral in zijn gedrevenheid en enthousiasme voor de natuur. Maar dat niet alleen er zijn ook een aantal overeenkomsten, net als Thijsse tekende ik graag, groeide hij op in een gezin van 4 kinderen, vader was beroeps militair en bovenal heeft hij een aantal jaren van zijn jeugd in Woerden gewoond, mijn geboorteplaats waar ik tot mijn 21e heb gewoond. Vooral in deze omgeving heb ik als kind de natuur van heel dichtbij beleefd. Ooit las ik van hem een stuk over de wielewaal in de omgeving van Woerden. Het is juist dit stuk wat voor mij een bijzondere betekenis heeft en de voorliefde voor deze man heeft verstevigd

..

..

De wielewaal; door Jac.P. Thijsse

Een dikke dertig jaar geleden woonden wij een kwartiertje buiten Woerden aan den Ouden Rijn, en daar hadden wij schooljongens een heerlijk leventje. Er was natuurlijk een boomgaard en een tuin, bosschen met bramen en wilde aardbeien en dan ook nog de rivier, vijvers en slooten, waar je met het allergebrekkigste vischtuig van de wereld nog allerlei aardige visschen en andere waterdieren kon vangen. Weilanden, graanvelden, moestuinen, klei-afgravingen, het jaagpad, een rozenhaag en een veldje, waar welriekende viooltjes groeiden onder hooge eikeboomen, verschaften ons het heele jaar rijkdom en genoegen.

Dicht bij ons huis lag een kampje, waar wij altijd speelden. Het was geen akker of weide, maar een soort van opslagplaats, waar allerlei dingen verschenen en verdwenen, zonder dat wij recht wisten, waar ze vandaan kwamen en wie ze weer weghaalden. Nu eens lagen er enorme graan- en hooischelven, dan weer stapels peppel- en wilgestammen, soms ook ladingen ‘Amsterdamsche vullis’ en ook wel hoopen oud ijzer en gebroken machinerieën of heele rijen van mooie rood- en blauw geschilderde landbouwwerktuigen. Een enkel maal toefde er een troep Zigeuners; er was altijd wat te zien en te beleven op dat kampje, al was het alleen maar onze vroolijke troep, bezig met vechten, knikkeren of slootje springen. Er lagen mooie slooten omheen en hooge peppels vormden er een geschikt gordijn.

Het was dan ook volkomen in den haak, dat daar op een mooien Meimorgen een heele troep onbekende vogels verscheen. Op ‘t kampje kon alles gebeuren. Wat een drukte! Groote gele vogels met zwarte vlerken en roode snavels vlogen heen en weer in de peppels, en zaten elkaar na tot in de hoogste toppen. De heele buurt kwam er aan te pas, de klompenmaker, de visscher, de rietdekker, de boer, en al heel gauw was er een deskundige bij, die verklaarde, dat het gele wiewouws waren, waarin hij dan ook volkomen gelijk had.

Er bestond ook niet de minste aanleiding, om het te betwijfelen, want als zoo’n gele vogel tusschen twee stoeipartijen even rustig mocht zitten tusschen de bladeren, dan riep hij helder en duidelijk: ‘gele wiewouw, gele wiewouw’. Uit een anderen boomtop antwoordde een van zijn kornuiten: ‘gele wiewouw’ en aan ‘t bewegen van de blaren kon je zien, dat ze zich tot elkaar voelden aangetrokken. Daar komt er een te voorschijn, geel, zwart, rood, hij wiegelt even op een takje heen en weer en schiet dan in ‘t schitterend zonlicht als een pijl naar zijn tegenstander, die het melodieuse wiewouw-gefluit vervangen heeft door een sarrend, krijschend kattengemauw. Nu duurt het niet lang, of ze tuimelen vechtend uit den boom, belanden op een dikken tak, zitten elkaar eventjes hijgend aan te staren en vallen dan weer aan met hun lange, rechte, roode dolksnavels.

Wat hebben we een genoegen van die wielewalen gehad! Den volgenden dag kwamen er nog meer, en nu waren er ook wijfjes bij, die de schitterend gele kleur missen, maar groenachtig zijn, met bruine lengtestreepen, zoodat je ze tusschen de groene blaren haast niet zien kunt. Nu was het vechten en roepen en schreeuwen dubbel zoo erg, en ondernemende geesten onder ons zonnen al op middelen, om die prachtige vogels te vangen. Maar na een paar dagen werd het al kalmer en kalmer, de paren hadden zich verspreid, niet een was er op het kampje gebleven, doch overal in ons wandelgebied hoorden wij den heelen zomer door den malschen roep, ofschoon wij de vogels zelve maar zelden te zien kregen.

Zoo gaat het altijd met die wielewalen. Ze komen in ‘t mooist van Mei, wanneer alles reeds vol in blad staat. Gedurende de eerste dagen na hun aankomst vertoonen zij zich nog al

vrijmoedig, maar zoodra het broeden begint, houden ze zich meestal schuil tusschen de bladeren, alleen hoort ge overal hun heerlijken zomerroep of hun afschuwelijk kattengemauw. Slechts wanneer ge in de gelegenheid zijt, ze in de nabijheid van hun verblijfplaats te bestudeeren, kunt ge ze nog eens wat meer te zien krijgen, en misschien treft ge het dan ook, dat ge het mannetje ook nog eens echt hoort zingen, in ‘t geheel niet uitgelaten, maar in zichzelf gekeerd, met onduidelijke fluistergeluidjes, net of hij zit te droomen.

Eigenlijk zijn wielewalen in het geheel niet zeldzaam. Ze worden overal gehoord, waar niet te weinig boomen zijn, en ofschoon ze ‘t meeste houden van hoog hout, ontbreken ze toch ook niet in streken met laag geboomte. De aanwezigheid van water is iets, waar ze bij de keuze eener woonplaats vooral op letten, langs de rivieren wonen ze heel graag, en dan willen ze zich zelfs wel vergenoegen met kreupelboschjes of wilgengrienden.

Het nest is moeilijk te vinden; het hangt in de vork van twee takken, waaraan het stevig bevestigd is door haren en draden en banden, die om den tak gewonden en door het nest genaaid zijn. Dat doen ze met hun snavel, en ‘t is wel de moeite waard, om daar eens naar uit te zien en door een verrekijker deze zeer bijzondere bouwerij te begluren. Ik heb daarvan op Swaanswijk eens het een en ander gezien.

Als een wielewaal eenmaal een goede nestmik gevonden heeft, dan is hij daar zeer blij mee en keert jaar in jaar uit naar dezelfde plek terug. Het is dus goede tactiek, om in den winter naar wielewaalnesten uit te zien; een uitstekende bezigheid bij het schaatsenrijden, en aardig is het, om in de harde vorst voortsnellend over het gezonde zwarte ijs, het luchtig bouwsel van den zomer te ontdekken in de kale takken.

Als ze jongen hebben, krijg je ze meer te zien, en dan blijkt het, wat een goede rupsenvangers ze zijn. Ik heb er een gekend, die kwam strijk en zet de kardinaalsmutsjesmotten weghalen, die bij honderden de mooie heestertjes verpesten. Ook nemen ze heel graag, evenals de koekoek, harige rupsen, waar de andere vogels afkeerig van zijn en daarom alleen reeds moeten wij hen overal welkom heeten. Op onze foto ziet ge juist, hoe ‘t mannetje zijn vrouw zoo’n ruige versnapering komt aanbieden.

Naarmate de zomer vordert, komen de wielewalen nog meer te voorschijn. Zij hebben dan een bijzondere voorliefde voor kersen en wedijveren in den morgenstond met de spreeuwen, wie er ‘t ergst in de boomgaarden zal huishouden. De kleine kersjes van de Vogelkers (Prunus Padus) willen zij ook wel hebben, daarom is het goed, deze mooie heesters veel aan te planten, evenals de Amerikaansche Vogelkers (Prunus serotina). Daar komen ze in Augustus bij troepen tegelijk op, soms enkel ouden, ook wel enkel jongen en een andermaal een heel huisgezin. Maar in September zijn alle voor goed verdwenen en het welluidende ‘wielewaal’ dat ge bij uw herfstwandeling uit de hooge boomen hoort weergalmen, is afkomstig van een spotzieke spreeuw, die blij is, omdat hij zijn rui bijna achter den rug heeft.